
Over diefstal, bedrog, drankmisbruik en messentrekkerij in West-Vlieland
· leestijd 2 minuten Historie Ingezonden 97 keer gelezenWest-Vlieland is voor altijd verdwenen, maar in het Nationaal Archief in Den Haag liggen stukken die ons een boeiende inkijk geven in het leven van zijn inwoners vele eeuwen geleden. Die stukken laten zien wat zich in de kroegen en herbergen van het dorp afspeelde.
We komen in de uitspanningen de ‘gewone man’ van het verdwenen West-Vlieland tegen, zoals Pieter Heertgens in 1525. Hij had ‘een cleyn mesken van zyn scheyde getoghen’ (een klein mesje uit de schede getrokken) en een treiterende mededrinkebroer, Bruin Pietersz., ‘een kleine wond toegebracht’, die echter wel tot diens dood leidde. Geweld als dit kwam veel vaker voor. Een andere West-Vlielander beet zijn slachtoffer toe: ‘ick hebbe noch met u uuytstaen [een rekening te vereffenen] dat zal ick u vergelde ende nam zyn mes uuyt zyn scheede, zeggende tot drie ofte viermaelen toe “ick zal met dit mes u steken”’.
Het dorp West-Vlieland telde op het eind van de zeventiende eeuw minimaal drie tappers, die soms ook op zondag negotie hadden. Soms poogde men bier te verkopen tijdens de kerkdienst, maar wie betrapt werd, moest daar een boete voor betalen. ‘De Roode Leeuw’ lijkt in de zestiende en zeventiende eeuw de voornaamste herberg in het dorp.
Voor de hoogste rechtbank van de Republiek in Den Haag verschijnen meerdere West-Vlielandse daders van misdaden in de kroeg, zichzelf benevelend met drank. Arm waren ze, zoals de doodslager Pieter Heertgens, van wie we in een stuk uit 1540 lezen dat hij een ‘arm en schamel zeeman [was], die het levensonderhoud voor een vrouw en acht kinderen moest verdienen, en niets anders ter wereld bezat dan wat hij uit de zee haalde.’ Of Hendrick Doeksens, ‘een arm scamel man belast met wyf ende kinderkens’.
Of de vissersknecht Jan Jansz. van West-Vlieland, een gehandicapte, geestelijk wat minder bedeelde man. De Haagse rechters lieten hem zijn verhaal doen over waarom hij een mes had getrokken. Jan Jansz. verklaarde – we volgen hier het door mij hertaalde rechtbankverslag uit 1560:
‘[Het ging om een pestkop met de naam Cornelis Reyerszoon] die had zijn “bootsgesellen” en Jansz. in het bijzonder, bij voortduring woest en onbehouwen bejegend. Zo kwam het voor dat Jan op zeker moment in zijn kooi aan boord lag te slapen en dat Cornelis Reyerszoon hem toen aan zijn baard uit bed getrokken had. Reyerszoon had hem daarna heen en weer gesmeten, en met zijn hoofd tegen de lamp gemept, “sulx dat hem ‘t bloet ter ooren uuytliep.” Op de dag voor nieuwjaarsavond vertoefde Jan met Cornelis in een West-Vlielandse herberg. De herbergier had een volle kan bier voor hem neergezet. Die kan had Cornelis opgeëist, “seggende ghy sult die kanne nyet hebben, ick sal u desen avont dwingen als een kindt”. Door hem zo te koeioneren wilde Cornelis twist en tweedracht zaaien. Maar Jan Jansz. beheerste zich en zweeg. Hij had een andere kan besteld en die aan een andere “drinkebuur” gegeven. Toen had
“die voirseyde Cornelis geseyt gy en sult nyemandt een kan bier brengen dan my”.
Jan Jansz. weigerde; het bier bleef bij de man aan wie hij het geschonken had, waarop “de voorseyde Cornelis weeromme seyde ghy sultet my toch brengen”. Daarna pakte Cornelis Jan weer eens bij zijn baard en trok er zo hard aan dat het bloed eruit liep. Vervolgens was Jan Jansz. zo bang geworden dat Cornelis hem zou gaan steken met een mes, dat hij zijn eigen mes getrokken en in de borst gestoken had. Aan de gevolgen daarvan was Cornelis “onlancx deser werelt overleden tot Jan Jansz. groot leetwesen.’’’ •
Tekst: Anne Doedens




