
Een reiziger bezoekt Vlieland, 535 jaar geleden
· leestijd 2 minuten Historie 91 keer gelezenDe Utrechtse jurist Aernout van Buchell bezocht in 1591 het eiland Vlieland. Hij schreef:
‘Rond het middaguur bereikten wij het eiland Vlieland, en het zuidelijke dorp West-Vlieland, vrij groot en mooi gelegen. Tegen de avond bereikten wij het dorp Oost-Vlieland, dat kleiner is, omdat het enkele jaren eerder door troepen van koning Philips II was verwoest.’
Buchell bericht over een klooster dat hier vroeger zou hebben gestaan, waarvan de herinnering bewaard blijft in de naam van een plaats die in de volkstaal “Monnikenzand” wordt genoemd. Men vindt hier ook ruïnes, stenen, klokjes, urnen en drinkbekers, zelfs in zó grote aantallen (zoals onze gastheer ons vertelde), dat er bij wijze van grap wel wordt gezegd dat de monniken niets anders deden dan drinken. Ik dacht daar wat dieper over na en bedacht dat het hier misschien ging om de restanten van de burcht van Flevum. Sommigen zijn het hier niet mee eens en zoeken die, op grond van de woorden van [de historicus] Tacitus, dichter bij de Eems. De gesteldheid van het land is zo veranderlijk, dat het moeilijk is daarover een oordeel te vormen. Toch geloof ik vast dat de naam van het eiland is afgeleid van de Flevus, de derde monding van de Rijn. Deze Flevus is echter geheel opgeslokt door de Zuiderzee […]. Sporen daarvan zijn nog op het eiland te zien. Ik twijfel er niet aan dat, als iemand bij heel laag water de bodem nauwkeurig zou onderzoeken, er grotere overblijfselen uit de Romeinse oudheid zouden worden aangetroffen.
Hier kan heel goed een klooster hebben gestaan, want misschien is dat juist op de ruïnes van de genoemde burcht gesticht, in een tijd waarin er nog geen Zuiderzee was, maar wel een Flevomeer: een tijd waarin het eiland nog deel uitmaakte van het vasteland en vruchtbaar land was.
De monniken, die zich na de overstroming naar Stavoren hadden teruggetrokken, hebben het eiland ongeveer 40 jaar geleden geclaimd. Zij beweerden er recht op te hebben, want hun abt zou zo machtig zijn geweest dat hij zelfs de oorlog verklaarde aan Hamburgse zeerovers.
Op de feestdag van Sint-Jan, 24 juni, reisden wij per wagen voor twee gulden naar West-Vlie, waar wij verbleven in de herberg De Roode Leeuw. De waard, Hieronimus Cout, was secretaris van het eiland, had in Leuven gestudeerd en was meester in de vrije kunsten. Het verbaasde mij om op zo’n afgelegen eiland een geleerd man te treffen. Zijn vrouw, een forse en opvallende verschijning, leek niet geheel tevreden met haar echtgenoot. De waard vertelde ons over een voormalige monnik die predikant was geworden en een zeer losbandig leven leidde. Men zei dat hij vele vrouwen had bezwangerd, geholpen door zijn welsprekendheid en aantrekkingskracht. Hij beweerde zelfs dat hij door goddelijke kracht werd aangespoord om de aarde met nakomelingen te vullen. Verder vertelde men dat jonge mensen op het eiland de gewoonte hadden van “queesten”: zij gingen vrij met elkaar om en deelden het bed om elkaar te leren kennen, wat soms tot een huwelijk leidde, maar niet altijd. Of deze verhalen geheel waar zijn, durf ik niet te bevestigen.
[…] Ik hoorde een preek van een geleerd man. […] Hij zei dat er op dit eiland veel wederdopers waren, die ontkenden dat Christus, na het aannemen van een menselijk lichaam, naar de hemel was opgevaren […]. De kerk leek op een eenvoudige hut, zonder enige versiering; het kerkhof was zeer zanderig, en daarom omheint men de graven met stenen of hout en verstevigt ze met koeienmest.’ •
Tekst: Anne Doedens




