
De zes brandweervrouwen van Vlieland
· leestijd 7 minuten Vrijwilligers linkinbio 133 keer gelezen (deel 1)
De pieper kan op elk moment afgaan, tijdens het werk, thuis of midden in de nacht. Voor de leden van de vrijwillige brandweer van Vlieland betekent dat dat zij snel moeten kunnen handelen. Wie beschikbaar staat, gaat bij een melding zo snel mogelijk naar de kazerne. De brandweerlieden die als eerste aankomen, stappen in de eerste auto. Zodra die volledig bezet is, vertrekt de wagen naar het incident.
Het Vlielandse brandweerkorps bestaat uit 25 leden, waaronder zes vrouwen. Rinske, Ellen, Lara, Charlotte, Jorine en Melissa vormen daarmee een opvallend groot deel van de ploeg. Waar bij veel posten aan de wal nog altijd vooral mannen actief zijn, telt Vlieland relatief veel vrouwen. Landelijk blijft het aandeel vrijwillige brandweervrouwen al jaren rond de zes procent hangen. Juist daarom springt Vlieland eruit.
Rinske is van de zes vrouwen het langst actief binnen het Vlielandse korps. In 2008 kwam ze bij de brandweer. Haar functie is brandwacht. Dat betekent dat zij door de bevelvoerder kan worden ingezet om een gebouw in te gaan, brand te blussen, een auto open te knippen of slachtoffers te helpen. “Je bent eigenlijk gewoon een pion die ze inzetten”, legt ze uit. De bevelvoerder stuurt aan, de chauffeur zorgt voor de auto en het water, en de manschappen voeren de inzet uit.
![]()
Ook Jorine legt uit hoe zo’n uitruk werkt. Wie beschikbaar staat, wordt bij een melding geacht te komen. Daarom wonen de brandweerlieden binnen enkele minuten van de kazerne. Als de pieper gaat, moeten zij snel kunnen reageren en in principe binnen vijf minuten bij de kazerne zijn.
Bij een melding moet de eerste auto zo snel mogelijk kunnen vertrekken. Daarom stappen de brandweerlieden die als eerste bij de kazerne aankomen meteen in. De eerste zes vormen de bezetting van de eerste auto. Zodra die vol zit, rijdt de wagen naar de melding. Als de brand groter is of er extra hulp nodig is, wordt daarna ook een tweede auto ingezet.
In de auto krijgt iedereen een taak. Er is een bevelvoerder, een chauffeur en er zijn manschappen met nummers. Die nummers bepalen voor een groot deel wat je tijdens de inzet doet en met wie je samenwerkt. Brandweerlieden werken namelijk in koppels, zodat niemand alleen een gebouw ingaat of een taak uitvoert. Nummer 115 (gaat niet standaard mee, is soms ter aanvulling) helpt vaak de chauffeur, 113 en 114 zorgen vaak voor de waterwinning en 111 en 112 zijn vaak degenen die als eerste naar binnen gaan.
Bij technische hulpverlening is de indeling weer iets anders. Dat zijn bijvoorbeeld inzetten bij verkeersongevallen, waarbij slachtoffers uit een voertuig moeten worden bevrijd of zwaar gereedschap nodig is. Melissa vertelt dat je in de opleiding heel strikt leert welke stoel bij welk nummer hoort. In de praktijk kijkt de bevelvoerder vooral wie er achterin zitten en welke kennis of ervaring op dat moment nodig is.
![]()
De regels en rollen zijn er, maar een inzet blijft altijd maatwerk. Het gebouw, de wind, de mensen in de auto en de situatie ter plaatse bepalen wat er gebeurt. “Dan is het gewoon schakelen en gaan met die banaan”, zegt Jorine. Dat schakelen moet op Vlieland vaak sneller dan aan de wal. Ellen weet dat goed, omdat zij eerder bij de brandweer in Franeker zat. Daar zag het werk er heel anders uit. De ploeg rukte uit voor verkeersongevallen op de snelweg, auto’s die in een sloot waren beland, incidenten rond het spoor en dieren die op boerderijen in de problemen waren gekomen.
Op Vlieland ziet het werk er anders uit. Het aantal uitrukken is beperkt, maar door de omgeving krijgt het korps bijvoorbeeld te maken met natuurbranden en incidenten in het bos. Ook grotere branden komen voor. Zo richtte een uitslaande brand bij Eureka in 2023 zware schade aan het appartementencomplex aan en brak bij Vlierijck in 2014 brand uit in het rieten dak van het hotel- en appartementencomplex. Zulke incidenten komen niet vaak voor, maar vragen door de ligging van het eiland wel om een andere aanpak.
![]()
Ook de aanrijtijd verschilt. Aan de wal heb je soms nog tijd om onderweg informatie te verzamelen en een plan te maken. Op Vlieland kan een incident zo dichtbij zijn dat de ploeg er bijna meteen staat.
“Hier ga je vanaf de kazerne en heb je bij Zeezicht een incident, dan ben je letterlijk nog je materiaal aan het pakken en dan heb je nog niet eens een plan kunnen bedenken”, vertelt Ellen. “Want eigenlijk sta je al met je neus voor het incident.” Voor een bevelvoerder betekent dat dat er direct beslissingen moeten worden genomen. Er is nauwelijks schakeltijd.
Tegelijk heeft het eiland ook voordelen. De brandweerlieden kennen veel gebouwen, straten en situaties. Veel huizen lijken op elkaar. Van grotere panden weten ploegleden vaak hoe ze ongeveer in elkaar zitten. Dat kan helpen om sneller te handelen. Maar het eiland maakt het werk ook kwetsbaar. Hulp van buitenaf staat niet zomaar naast de deur. Aan de wal kan bij een grote brand een buurdorp worden opgepiept. Op Vlieland moet versterking met de boot komen.
Daarom werkt de brandweer op het eiland samen met andere partijen, zoals de KNRM, Defensie, lokale bedrijven en soms oud-brandweerlieden of andere eilanders. Bij een natuurbrand kan de KNRM helpen met slangen slepen, watertransport of het uitslaan van vuur. Als er geen hoogwerker is, kan een bouwbedrijf met een verreiker en manschapbak helpen. Als extra materieel uit Harlingen moet komen, moet dat eerst naar de boot. “Je bent ervoor ingezet dat je de eerste drie uren je eigen boontjes moet doppen”, verteld Ellen.
Die eilandrealiteit werd zichtbaar bij de brand bij Eureka. Lara zat in de eerste auto toen de ploeg kwam aanrijden. Ze herinnert zich dat ze de vlammen op de bovenste verdieping uit de balkondeuren aan de voorkant zag slaan. In de auto werd het stil. Iedereen zag meteen dat het serieus was. Rinske kwam later met de tweede auto. Ze was aan het werk op de huisartsenpraktijk en had haar pieper niet bij zich, maar hoorde de brandweerauto’s rijden. Toen iemand in de wachtkamer zei dat er een grote brand bij Eureka was, keek ze haar collega aan. “Toen dacht ik: nou, ik ga.”
Bij aankomst was de eerste ploeg al aan de voorkant bezig. Rinske hielp aan de achterkant met de waterwinning en ging daarna met collega’s naar de bovenste verdieping om te verkennen waar de brand zich uitbreidde. De slang moest mee naar boven, de hitte was goed voelbaar en steeds moest worden gekeken waar nog veilig geblust kon worden. “Je beseft dan wel hoe groot de brand is”, zegt Rinske.
De gasten waren op tijd buiten. Ook werd er een hond uit het pand gehaald. De inzet duurde uren. Brandweerlieden moesten ademlucht wisselen, pauzes nemen en later kwam een ploeg van de wal om te helpen. De KNRM hielp met waterwinning; slangen werden tot aan de ijsbaan uitgelegd, zodat vanaf daar water gehaald kon worden. Ook eilanders hielpen mee. Oud-brandweerlieden ondersteunden bij het doorvoeren van zware slangen en Bakkerij Westers kwam met gesmeerde broodjes en drinken. Voor Rinske laat die hulp goed zien hoe Vlieland in zulke situaties samenkomt. “Het is zo’n eiland dat iedereen elkaar helpt.”
De dag erna ging het werk door. Samen met de politie hielp de brandweer gasten om persoonlijke spullen uit kamers met waterschade te halen. Aan de wal wordt het veiligstellen en redden van persoonlijke spullen na een brand vaak overgenomen door een speciale hulporganisatie. Op Vlieland hielp de brandweer daar zelf bij. Er ging telkens een brandweerpersoon met een gast mee naar binnen. Niet alles hoort officieel bij het blussen, maar het hoort wel bij de manier waarop op Vlieland wordt geholpen.
Ook voor Melissa begon de brandweer met zo’n directe ervaring, al was die tijdens een oefenavond. Ze zag al langer posters hangen en dacht; dat lijkt me best leuk. Toch bleef het lang bij een grap. Tot iemand van de brandweer haar vroeg eens op maandagavond te komen kijken. Tijdens haar eerste oefenavond werd ze meteen in een auto gezet als ‘slachtoffer’. Ze kon zogenaamd haar benen niet meer bewegen, de deur ging niet meer open en om haar heen werd de auto opengeknipt om haar eruit te halen. “Toen dacht ik gelijk: dit is het. Dit is echt wat voor mij.”
Twijfels had Melissa vooraf nauwelijks. Niet over het team en ook niet over haar eigen kunnen. “Helemaal niet hier op het eiland. Het is een ontzettend leuk en toegankelijk team.” Qua kracht vertrouwde ze erop dat ze met sporten een goede basis had en dat de rest haar aangeleerd zou worden. Dat bleek ook zo. De mensen om haar heen begrepen haar keuze meteen. “De mensen die mij wat beter kennen, zeiden ook allemaal gelijk; dit is wat voor jou.”
Charlotte wilde naast haar werk iets voor andere mensen doen. Toen iemand haar vroeg om eens mee te lopen bij de brandweer, ontdekte ze pas hoe breed het werk was. “De brandweer is veel meer. Het is niet alleen maar een brandje blussen.” Juist de afwisseling sprak haar aan. In de ploeg merkte ze bovendien dat niet iedereen hetzelfde hoeft te kunnen. “De een is lang, de ander is kort, de een is beter daarin, de ander beter daarin. Iedereen heeft z’n kwaliteiten.”
Lara begon ook door eens mee te draaien. Een vriend vroeg of het niet iets voor haar was. Ze deed mee als slachtoffer bij een oefening en kwam daarna vaker op maandagavond kijken. Inmiddels is ze niet alleen manschap, maar volgde ze ook de opleiding tot chauffeur. Daarvoor moest ze eerst haar groot rijbewijs halen. Als chauffeur leer je niet alleen rijden met de brandweerauto, maar ook zorgen dat de ploeg veilig ter plaatse komt en dat er tijdens een inzet water beschikbaar is voor de manschappen.
Kort na het interview volgde voor Lara haar eerste officiële uitruk in die nieuwe rol. ’s Nachts werd de brandweer opgeroepen voor een auto die in brand stond. Lara reed als chauffeur en pompbediener op de eerste auto die ter plaatse kwam. De brand werd opgeschaald naar middelbrand, waarna ook de tweede brandweerauto werd ingezet.
Volgende week volgt deel twee. Daarin vertellen de zes vrouwen hoe zij het ervaren om als vrouw bij de brandweer te zitten, hoe zij kijken naar het beeld van de brandweer als mannenwereld en wat de opleiding, het fysieke werk en de conditietest van hen vragen. •
Tekst: Sarah Kingma




