2 minuten verhaal van Ger Bakker

Toen ik gevraagd werd mijn verhaal te vertellen over de oorlogsjaren zei ik: ‘ik heb niet zoveel te vertellen, want zoveel heb ik niet meegemaakt’.

Maar het heeft mij wel aan het denken gezet: hoe komt dat eigenlijk? Want wij woonden in Eindhoven, naast de Philipsfabriek waar mijn vader glasblazer was. De Philipsfabriek én dus Eindhoven speelde een belangrijke rol in de oorlogsindustrie. Er moest hard gewerkt worden voor de Duitsers én tegelijk was er veel verzet en sabotage.

Ons gezin bestond uit mijn vader en moeder en twee broers die - toen de oorlog begon - 9 en 12 jaar oud waren. Ik was toen 6 jaar. Wat ik mij herinner zijn de vliegtuigen – heel veel vliegtuigen die overvlogen en hun bommen loslieten. Ik kan ze nog zien… hele rijtjes bommen.

Ik weet nog goed dat mijn vader en moeder met de buren stonden te praten en de buurvrouw zei: ‘horen jullie ook iets suizen?’ En daar viel een grote granaatscherf uit de lucht, zo tussen ons door de grond in. Niemand werd geraakt maar het had ook heel anders kunnen zijn.

En het luchtalarm. We moesten dan de schuilkelders in. Ik kan het nog ruiken; een modderige lucht. Die schuilkelder was aan het eind van onze straat, ineens was die daar en na de oorlog was-ie ook gelijk weer weg. Het was een soort grote rioolbuis met aarde daarop.

Als het luchtalarm afging kwam de Grüne Polizei langs. Ze bonkten op de huizen en riepen: Drauss!!! Laufen!!!! Dan moesten we zo snel mogelijk de schuilkelder in. Op een keer liep ik niet snel genoeg en kreeg toen een bajonet in mijn rug geduwd. Ik voel de prik nog! Ja, voor de Grüne Polizei waren we bang.

Mijn oudste broer had een keer iets uitgevroten en heeft daar straf voor gekregen. Gelukkig was hij nog te jong om opgepakt te worden. Maar drie jongens uit onze buurt van 18 en 19 jaar zijn doodgeschoten.

Heel veel dingen gingen niet door. Er was geen kleuterschool want daar zaten de Duitsers in. Ik heb wel een poosje lagere school gehad maar ook daar moesten wij uit voor de Duitsers. Ik had zwemles – het A-diploma heb ik gehaald, maar verder ging niet want ook dat kon niet langer doorgaan. Ook de musical Repelsteeltje ging niet door. En tja… als kind vond je dat natuurlijk heel jammer.

Wij hebben geen honger geleden. De hongerwinter hebben wij niet meegemaakt want in september 1944 was Eindhoven al bevrijd. Wij kregen voedselbonnen – er was altijd genoeg, vooral voor mijn vader. Want glasblazen was zwaar werk en dat werk was belangrijk.

Wij hadden een tuintje bij het huis waar groente in stond. Buiten Eindhoven waren velden vol rogge en wij gingen daar in de oogsttijd aren lezen. Mijn moeder bakte dan roggebrood of ze maakte er pap van. En als er geen melk was maakte ze het van water. Mijn moeder kon van niets iets maken. Zo was er ook met Kerst altijd iets lekkers en met Sinterklaas had zij borstplaat en taaitaai. 

De kachel moest branden, om te koken en in de winter voor verwarming. Er moest dus brandstof komen. We gingen het bos in en mijn broers zaagden een boom. Mijn vriendin en ik sjouwden de takken en stammen naar huis. Ook haalden wij kolen uit de treinwagons bij de fabriek. Alles stiekem want het mocht natuurlijk niet.

Ik was een meisje van 6 tot 10 jaar oud in de oorlog. Ik herinner mij niet dat ik bang was, behalve voor die Grüne Polizei. Nu denk ik: mijn vader en moeder zijn vast wel bang geweest dat ons iets zou overkomen. Maar die angst hebben zij voor mij verborgen gehouden. • 

Tekst: Ger Bakker