Afbeelding

Een ervaring in de fundering

· leestijd 2 minuten Ingezonden Column 54 keer gelezen

Al bijna veertig jaar geleden was het een sport om onder de vloer van de Krijtenburg te gaan spoken. Wat er de lol van was om op je knieën door het zand te kruipen, is mij altijd een raadsel gebleven. Een collega en ik hebben de fundamenten van de hele school op onze knieën doorkruist om een computernetwerk aan te leggen, maar wij waren blij als we weer rechtop konden staan. 

Waarschijnlijk zat de uitdaging in het feit dat het niet mocht. Er waren drie luiken en dus drie manieren om af te dalen. De aula, het computerlokaal en het natuur- en scheikunde lokaal. Op onze kruiptocht zagen we onderweg complete series grafstenen van de leraren, die daar symbolisch waren geslachtofferd, waarschijnlijk tot groot vermaak van de leerlingen. 

Als de leerlingen het te bont maakten, werden er weleens uitgangen dichtgezet, zodat ze helemaal naar de andere kant van de school moesten kruipen of er werden, een stuk creatiever en zeker zo effectief, zelfgemaakte stinkbommen onder de vloer gedropt door de docenten. Het was allemaal redelijk onschuldig, zo is het spel en zo zijn de regels.

Op een bepaald moment zaten er leerlingen op school, die alle sterke verhalen hadden aangehoord en dachten die wel even te zullen overtreffen. In de tussentijd echter was er qua cultuur ook het een en ander veranderd; directeuren die toezicht hielden en dat ook van het team vroegen. Verder was er een conciërge aangesteld die zijn ogen ook niet in de zak had. Kortom, er was iets minder speelruimte, zullen we maar zeggen. 

Toen deze leerlingen op een gegeven moment dan ook onder de vloer kropen, viel dat gelijk op en werden er maatregelen genomen. Het enige luik wat niet vastgezet was, werd gebarricadeerd met wat plankjes klem onder de half openstaande deur. Na enige tijd ontstond er onder de vloer toch wat onrust en werden de mobiele telefoons getrokken. Een vader werd gebeld; deze vader bleef kalm en zei heel droog tegen z’n zoon: succes met alles en anders alvast prettig weekend. 

Uiteindelijk werd er een moeder gebeld: die kwam gelijk met volle zeilen naar school en begon wetsartikelen op te noemen, bijvoorbeeld dat je leerlingen niet mocht opsluiten en zo wist ze er nog wel een paar. Omdat iedereen die daar in de buurt was wat stoïcijns op de situatie reageerde, greep ze een leerling in de kraag en gebood hem alles te fotograferen, zodat er bewijs was. De leerling sprak daarop (heel wijs) de onsterfelijke woorden: ik mag mijn telefoon niet gebruiken op school, dat is verboden. Natuurlijk liep alles met een sisser af en om in keukentermen te blijven, nadat de leerlingen in hun sop waren gegaard, ging iedereen weer huiswaarts. 

Toch moest er nog een stevig gesprek tussen ouders en directeur gevoerd worden voor alles onder het duinzand kon worden geveegd. Na erkenning van beide kanten dat het allemaal wel wat soepeler had gekund, was de kou uit de lucht en begonnen de ouders aan een lofzang op hun zoon als tegenwicht tegen het kattenkwaad wat er natuurlijk bij hoorde.  “Wacht maar af, hij gaat het nog ver schoppen; ooit zien we hem op tv terug”. Waarop de directeur iets te hard mompelde: “Als het dan maar niet in Opsporing Verzocht is”. Het is daarna niet meer goed gekomen tussen ouders en directeur. •

Tekst:        Jan Moorlag