Vlieland en de zeegaten. Detail van een kaart uit 1778. Nationaal Archief, 4.VTH 2488.
Vlieland en de zeegaten. Detail van een kaart uit 1778. Nationaal Archief, 4.VTH 2488.

Een schandalig vonnis? Negen Vlielander loodsen en een inhalige schout

· leestijd 1 minuut Cultuur

Op Nieuwjaarsdag 1779 raasde een zware winterstorm over Vlieland. Op het verraderlijke Vlie kwamen vijf koopvaardijschepen in grote problemen. Ankerkabels braken en de kans op schipbreuk was levensgroot. Enkele dagen eerder was ook de Noorse brigantijn ‘Minerva’ al aan de grond gelopen. Voor de Vlielandse loodsen begon een levensgevaarlijke reddingsactie. Negen loodsen voeren met hun bemanningen uit: samen zo’n honderd eilanders. Ondanks de storm wisten zij alle schepen veilig uit het gevaar te loodsen. De schippers kozen ervoor om door te varen naar Harlingen, waar hun schepen konden worden gerepareerd.

In Harlingen werden ook de berglonen en het loodsgeld vastgesteld. Op basis van de waarde van schip en lading taxeerde het stadsbestuur de vergoedingen. Voor de Minerva werd 4.000 gulden toegekend, voor de Vigilante 3.000 gulden en voor de overige schepen lagere bedragen. In totaal ontvingen de Vlielanders bijna 9.000 gulden, tegenwoordig vergelijkbaar met ongeveer 90.000 euro aan koopkracht. Daarmee was de zaak echter nog niet voorbij.

Op Vlieland was schout Van der Willige woedend. Volgens de regels had de afhandeling niet in Harlingen, maar in Holland moeten plaatsvinden. Bovendien liep hij hierdoor een aanzienlijk bedrag mis: de schout had recht op tien procent van de vastgestelde vergoedingen, deels te betalen door de loodsen en deels door de scheepseigenaren.

Maanden later greep hij in. Hij beschuldigde de negen loodsen ervan de zaak in strijd met de geldende voorschriften te hebben laten afhandelen door een overheid die daarvoor onbevoegd was. Op 20 juli 1779 kregen de loodsen het vonnis te horen. Tot hun ontzetting moesten zij niet alleen het volledige bedrag van ongeveer 9.000 gulden terugbetalen, maar ook de proceskosten. Als zij niet binnen zes weken betaalden, dreigde verbanning van het eiland.

De loodsen waren verbijsterd. In een brief aan het stadsbestuur van Harlingen schreven zij dat het vonnis hen “moedeloos en radeloos” had gemaakt. Zij spraken van de “baat- en geldzugt” van de schout: volgens hen draaide het vooral om zijn eigen financiële belang. Bovendien was het geld allang verdeeld onder de honderd mannen die aan de reddingsactie hadden meegewerkt. Het vonnis hield volgens hen geen enkele rekening met het levensgevaar dat zij hadden gelopen om mensenlevens, schepen en kostbare ladingen te redden.

Harlingen nam het voor de loodsen op. De stad wees erop dat de schout enkele jaren eerder juist had toegestaan dat dergelijke zaken in Harlingen werden afgehandeld. Ook zou het vonnis schadelijk zijn voor de economie van de havenstad, waar gestrande schepen werden gerepareerd en handel werd gedreven. Via de Staten van Friesland kwam de zaak uiteindelijk terecht bij de Staten van Holland. Die deden op 5 november 1779 uitspraak. Tot teleurstelling van de loodsen bleef het vonnis volledig in stand. Volgens de Staten had Harlingen zich nooit met de afhandeling mogen bemoeien en was de beschuldiging dat de schout uit eigenbelang handelde niets meer dan “onbetamelijke laster”.

Toch roept deze affaire nog altijd vragen op. Waarom was dezelfde werkwijze eerder wel toegestaan? Waarom werd geen rekening gehouden met de noodzaak om de beschadigde schepen naar Harlingen te brengen? En waarom trof een juridisch conflict uiteindelijk honderd hardwerkende eilanders die hun leven hadden gewaagd om anderen te redden? De archiefstukken geven daarop geen definitief antwoord. Wel laten zij zien hoe een heldhaftige reddingsactie uitmondde in een bitter juridisch gevecht dat de schout op Vlieland waarschijnlijk weinig populariteit heeft opgeleverd. •

Tekst: Anne Doedens