Afbeelding
AALDRIK POT

Voor vogels liggen eetkamer, badkamer en slaapkamer naast elkaar

· leestijd 4 minuten Natuur linkinbio 107 keer gelezen

Kroon’s Polders (deel 2)

In het eerste deel van dit tweeluik stonden vooral de planten die in de Kroon’s Polders leven centraal. De overgang van zoet naar brak en zout water zorgt ervoor dat in ieder deel van het gebied andere soorten groeien. In dit tweede deel vertelt boswachter Anke Bruin waarom diezelfde afwisseling ook van groot belang is voor de vele vogels die in de polders broeden, rusten of tijdelijk neerstrijken tijdens hun trek.

Bij laagwater trekken veel vogels vanuit de polders het wad op. Daar zoeken zij naar kokkels, nonnetjes, wormen, garnalen en andere kleine dieren die in het drooggevallen slik te vinden zijn. Wanneer het water weer opkomt, bewegen de vogels zo lang mogelijk met de waterlijn mee. Daarna keren zij terug naar de Kroon’s Polders.

Bruin vergelijkt het gebied met een huis waarin alles dicht bij elkaar ligt. “De slaapkamer, de eetkamer en de badkamer zitten vlak bij elkaar.” Het wad is de eetkamer. In het zoete water van de eerste polder kunnen de vogels zich wassen en het zout uit hun veren spoelen. Daarna vinden zij in de afgesloten polders een rustige plek om te slapen of bij te komen. Doordat zij voor die verschillende functies maar korte afstanden hoeven af te leggen, verliezen zij weinig energie. 


 Foto: Aaldrik Pot

Voor trekvogels is dat van groot belang. Soorten als de kanoet, grutto en rosse grutto blijven soms maar enkele weken op Vlieland. In die periode moeten zij rusten, voldoende vetreserves opbouwen en ruien. Tijdens de rui vervangen vogels hun oude, versleten veren door nieuwe. Sommige vogels zijn vrijwel voortdurend onderweg tussen noordelijke broedgebieden en zuidelijke overwinteringsplaatsen. Zij gebruiken de Kroon’s Polders als tussenstation om op krachten te komen. “En dan: hop, weer door”, vertelt Bruin.

Niet iedere vogel zoekt hetzelfde voedsel. De kanoet is bijvoorbeeld sterk afhankelijk van kleine schelpdieren als nonnetjes. Wanneer die afnemen, kan de vogel niet eenvoudig op iets anders overstappen. Meeuwen zijn veel minder kieskeurig en eten vrijwel alles.


Foto: Aaldrik Pot

Ook scholeksters en eidereenden zoeken naar kokkels, maar doen dat ieder op hun eigen manier. Een scholekster wrikt de schelp met zijn snavel open en haalt het vlees eruit. Een eidereend slikt de kokkel met schelp en al door, waarna de sterke spiermaag de schelp kraakt. 

De eidereend heeft nog een opvallende verdedigingstechniek. Wanneer een broedende vrouw wordt opgejaagd, kan zij een sterk ruikende drap over haar eieren achterlaten. Daarmee probeert zij meeuwen en andere rovers op afstand te houden. Het dons van de eidereend staat bovendien bekend als uitzonderlijk zacht. Volgens Bruin werd het vroeger gebruikt voor beddengoed van koningen en keizers.

De verschillende delen van de polders trekken verschillende soorten aan. Op de begroeide dijkjes broeden zangvogels als de blauwborst, nachtegaal en Cetti’s zanger. In het riet broedt de bruine kiekendief. Verder zijn er kolonies lepelaars en aalscholvers en komen er kluten, bergeenden, eidereenden, ganzen, meeuwen en verschillende steltlopers voor.


Foto: Aaldrik Pot

Volgens Bruin maakt die verscheidenheid het gebied aantrekkelijk voor vogelliefhebbers. Op een relatief klein oppervlak komen roofvogels voor, die op andere dieren jagen, zangvogels, die vooral bekendstaan om hun gezang, watervogels, die leven op en rond zoet water, zeevogels, die veel tijd op zee doorbrengen, en steltlopers, die met hun lange poten en snavels voedsel zoeken in ondiep water en slik. “Je hebt hier eigenlijk alles. Dat is echt prachtig.”

Ook de seizoenen bepalen welke soorten aanwezig zijn. Lepelaars keren in het voorjaar terug uit Afrika en vertrekken voor de winter weer naar het zuiden. Rotganzen broeden juist in noordelijke gebieden als Siberië en komen in de winter naar het Waddengebied. Brandganzen en grauwe ganzen zijn eveneens regelmatige bezoekers. Rond hoogwater kunnen grote groepen wad- en watervogels zich langs de randen van het gebied verzamelen om te rusten.

De afwezigheid van grondroofdieren maakt Vlieland bijzonder geschikt voor vogels die op de bodem broeden. Aalscholvers bouwen hun nesten op andere plaatsen vaak in bomen, maar in de vierde polder broeden zij op de grond. Ook lepelaars voelen zich er veilig genoeg om hun nest op de bodem te maken. Bruin vermoedt dat de vogels snel merken dat er weinig gevaar dreigt.

Hoe kwetsbaar die veiligheid is, bleek toen in 2009 vossen op het eiland werden losgelaten. Een drachtige vos kreeg negen jongen, waardoor er uiteindelijk elf dieren rondliepen. Zij plunderden nesten en richtten grote schade aan onder de broedvogels. Staatsbosbeheer moest langdurig controlerondes lopen om de dieren te vangen. “Het was een drama”, vertelt Bruin. De vossen konden zelf niets aan hun aanwezigheid op het eiland doen, maar voor de vogelkolonies waren de gevolgen groot. 

Vossen zijn inmiddels niet meer waargenomen, maar er zijn nog andere bedreigingen. Bruine ratten kunnen eieren uit nesten halen. Ook verwilderde katten vormen een risico voor vogels die laag of op de grond broeden. Met wildcamera’s werden enkele jaren geleden volgens Bruin tientallen katten geteld. Het gaat vaak om dieren die ooit zijn ontsnapt of om nakomelingen die nauwelijks meer aan mensen gewend zijn. 

Niet alle dieren tussen de struiken vormen een gevaar. Op de duindoorn leven rupsen van de bastaardsatijnvlinder. Zij maken opvallende witte spinselnesten. De haren van de rupsen kunnen jeuk en allergische reacties veroorzaken, maar later veranderen zij in kleine witte nachtvlinders. De duindoornbessen zelf zijn in het najaar belangrijk voedsel voor onder meer merels en spreeuwen.

Tussen de gele bloemen van het jakobskruiskruid zijn in de zomer soms opvallende geel-zwarte rupsen te zien. Het zijn de rupsen van de sint-jacobsvlinder, vertelt Bruin tijdens de excursie. De plant en de rups zijn nauw met elkaar verbonden. De rupsen eten van het jakobskruiskruid en slaan de giftige stoffen uit de plant in hun lichaam op. Daardoor worden zij zelf onaantrekkelijk voor vogels en andere mogelijke vijanden. Hun opvallende kleuren dienen daarbij als waarschuwing. Later verpoppen de rupsen zich tot zwart-rode nachtvlinders, die ook overdag actief kunnen zijn.

Wanneer de duindoornbessen overrijp raken, gaan zij soms gisten. Daardoor ontstaat een kleine hoeveelheid alcohol. Bruin heeft meegemaakt dat merels na het eten van grote hoeveelheden bessen wat versuft op een dijkje stonden. “Een beetje halfdronken”, vertelt zij.


Zo heeft ieder deel van de Kroon’s Polders een eigen functie. Het wad levert voedsel, de zoete eerste polder biedt waswater en de afgesloten vlaktes geven rust. De dijkjes en struiken zijn broedplaatsen en vormen in het najaar een voedselvoorraad. Juist doordat al die onderdelen zo dicht bij elkaar liggen, zijn de polders een belangrijke schakel voor vogels die er broeden, overwinteren of alleen even neerstrijken tijdens hun lange trek.

Onder begeleiding van Staatsbosbeheer is het mogelijk om tijdens een excursie verder het gebied in te gaan. Bruin heeft daarom een eenvoudig advies aan Vlielanders die de polders nog nooit van binnen hebben gezien: “Ga een keer mee om het gebied te ontdekken.” •

Tekst: Sarah Kingma